Proefschriften

Veel onderzoekers van de Health Campus doen een promotie onderzoek. In de afgelopen jaren zijn de onderstaande proefschriften opgeleverd.

Willian van Dijk – “Pandemic visits a doctor”

Publicatiedatum: januari 2026

In zijn proefschrift laat Willian zien hoe we ons beter kunnen voorbereiden op toekomstige pandemieën. Hij benadrukt dat de wereld tijdens COVID‑19 opnieuw heeft gemerkt hoe kwetsbaar we zijn voor infectieziekten. Volgens hem kunnen pandemieën niet helemaal worden voorkomen, maar het is wél mogelijk om sneller te reageren en de gevolgen te beperken. Hij richt zich daarbij op drie belangrijke onderdelen: het vertragen van de verspreiding, het slim inzetten van zorgcapaciteit en het veilig uitvoeren van vaccinatiecampagnes.

De ontwikkeling en validatie van de COVID RADAR‑app, waarmee mensen zelf konden aangeven welke klachten ze hadden en welk gedrag ze vertoonden, wordt eerst omschreven. Willian toont aan dat deze gegevens goed overeenkwamen met het aantal besmettingen in Nederland. Daardoor kan zo’n app helpen om een nieuwe golf vroeg te herkennen.

Daarnaast laat hij zien dat de gemelde klachten en gedragingen konden voorspellen hoeveel mensen huisartsenzorg nodig zouden hebben. Dit is vooral belangrijk in de eerste weken van een pandemie, wanneer testen en diagnostiek nog beperkt beschikbaar zijn. Ook ontdekte hij dat 5–10% van de gebruikers nog langdurige klachten had na een besmetting. Hij beschrijft verschillende groepen mensen met verschillende soorten restklachten, wat erop wijst dat er meerdere oorzaken zijn voor langdurige COVID‑symptomen.

Willian onderzocht ook de rol van bloedstolling bij COVID‑19 en vaccinatie. Hij concludeert dat mensen met een hogere stollingsneiging niet sneller besmet raakten, maar mogelijk wél ernstiger ziek werden. Ook laat hij zien dat zowel intradermale als intramusculaire vaccinatie tijdelijke ontstekings- en stollingsreacties geven, waarbij de intramusculaire variant iets sterker reageert.

Verder toont hij aan dat sommige COVID‑19‑vaccins een kleine kans op veneuze trombose (VTE) kunnen geven. Toch zorgde vaccinatie in 2021 in Nederland juist voor mínder VTE‑gevallen, omdat vaccins ernstige COVID‑19 — zelf een belangrijke oorzaak van trombose — voorkwamen.

Willian benadrukt dat goede communicatie over vaccinatie cruciaal is. Volgens hem moeten we niet alleen denken: “Wat levert dit mij op?”, maar vooral: “Wat levert dit óns op?”. Alleen met die houding kunnen we samen beter voorbereid zijn op een volgende pandemie.

Op 7 januari 2026 heeft Willian met succes zijn proefschrift verdedigd en de doctorstitel behaald.

Fia van Heteren – “Good health for all: an ethnographic study of frontline professionals in general and mental healthcare and social welfare”

Publicatiedatum: december 2025

In haar proefschrift bewijst Fia dat veel mensen in Nederland – vooral mensen met een lage sociaaleconomische status – te maken hebben met een combinatie van fysieke, psychische en sociale problemen. Fia concludeert dat deze kwetsbare groep vaak ondersteuning nodig heeft van meerdere professionals en organisaties tegelijk. Samenwerking is daarbij essentieel, maar Fia bewijst dat beleid, professionele normen en financiering deze samenwerking vaak belemmeren, waardoor juist de meest kwetsbaren het hardst worden geraakt.

Fia concludeert dat uitvoerende professionals in zulke complexe situaties zeven interprofessionele gedragingen gebruiken, zoals het creëren van alternatieve communicatielijnen en het overbruggen van kennis- en communicatiegaten. In haar proefschrift bewijst Fia dat deze gedragingen verschillen van samenwerking in vaste teams en dat ze cruciaal zijn voor het omgaan met gecombineerde problemen. Daarnaast laat Fia zien dat samenwerking niet alleen afhangt van praktische afspraken, maar ook van het afstemmen van verschillende opvattingen over gezondheid en de rol van de context van de cliënt.

Tot slot bewijst Fia dat professionals hun samenwerking vormgeven vanuit hun eigen rol en identiteit. Fia concludeert dat sommige professionals pragmatisch handelen door problemen van cliënten te herformuleren en samenwerking te gebruiken om dicht bij hun eigen expertise te blijven. Ook toont Fia aan dat SES-redeneringen – zoals aandacht voor statusbehoud en sociale afstand – een rol spelen bij het opstellen van behandelplannen. Haar onderzoek maakt duidelijk hoe professionals zich vanuit verschillende perspectieven en redeneringen verhouden tot elkaar en tot cliënten in de zorg voor mensen met gecombineerde psychosociale problemen.

Op 2 december 2025 heeft Fia met succes haar proefschrift verdedigd en de doctorstitel behaald.

Janna Goijaerts – “Health, disadvantage and the welfare state”

Publicatiedatum: november 2025

In haar proefschrift heeft Janna onderzocht hoe de Nederlandse verzorgingsstaat – het geheel van sociale voorzieningen zoals zorg, uitkeringen en ondersteuning – invloed heeft op de gezondheid van mensen in een kwetsbare positie. En vooral: helpt het om gezondheidsverschillen te verkleinen, of maakt het ze juist groter?

In Nederland leven mensen met de laagste inkomens gemiddeld acht jaar korter en brengen zij 21 jaar langer door in minder goede gezondheid dan mensen met de hoogste inkomens. Dit verschil zie je niet alleen in Nederland, maar ook in landen met een sterke verzorgingsstaat, zoals Scandinavië. Dat is opvallend, want juist daar zou je verwachten dat iedereen gelijke kansen heeft. Dit wordt de paradox van gezondheidsongelijkheid genoemd.

Janna laat zien dat niet alleen maatwerk maar vooral universeel beleid dat toegankelijk is voor iedereen helpt als beste manier om gezondheidsverschillen op termijn te verkleinen. De belangrijkste drie conclusies uit het proefschrift zijn als volgt:

  1. Gezondheid is meer dan zorg alleen. Niet alleen ziekenhuizen en huisartsen bepalen hoe gezond we zijn. Ook zaken zoals inkomen, huisvesting en sociale zekerheid spelen een grote rol. Daarom moet beleid breder kijken dan alleen gezondheidszorg.
  2. Toegankelijke dienstverlening is cruciaal Het gaat niet alleen om hoeveel geld of hulp er beschikbaar is, maar ook om hoe makkelijk mensen die hulp kunnen krijgen. Als diensten ingewikkeld of moeilijk bereikbaar zijn, profiteren kwetsbare groepen er minder van.
  3. Sociaal beleid hoeft niet ‘medisch’ te zijn om gezondheid te verbeteren. Beleidsmaatregelen op het gebied van werk, inkomen of huisvesting kunnen de gezondheid verbeteren, ook zonder dat ze officieel onderdeel zijn van gezondheidsbeleid. Gezondheid kan wel een argument zijn om in sociaal beleid te investeren.

Op 4 november 2025 heeft Janna met succes haar proefschrift verdedigd en de doctorstitel behaald.

Janet Kist – “Cardiovascular Health Disparities”

Publicatiedatum: oktober 2025

In haar proefschrift onderzoekt Janet waarom hart- en vaatziekten vaker voorkomen bij bepaalde groepen mensen, vooral bij mensen met een lager inkomen en bij groepen met een Surinaamse of Turkse achtergrond. Zij ziet in haar werk als huisarts in Den Haag dat juist jongere mensen uit deze groepen meer risico lopen op hart- en vaatziekten. Dat brengt haar tot de vraag: sluiten de huidige richtlijnen in Nederland wel goed aan bij iedereen?

Janet laat zien dat gezondheidsverschillen in Nederland groot zijn. Mensen met de hoogste inkomens leven gemiddeld 8–9 jaar langer dan mensen met de laagste inkomens. Het verschil in gezonde levensjaren is zelfs 25 jaar. Een belangrijk deel van deze verschillen wordt veroorzaakt door hart- en vaatziekten. Toch houden de richtlijnen voor preventie maar beperkt rekening met etnische en sociaaleconomische verschillen.

Een belangrijk deel van haar onderzoek maakt gebruik van een groot databestand met zorggegevens van 2,6 miljoen inwoners van Zuid-Holland. Hiermee kon zij op een unieke manier verbanden onderzoeken tussen afkomst, inkomen en gezondheidsuitkomsten.

Janet toont aan dat de sterfte aan hart- en vaatziekten sterk verschilt tussen groepen. De hoogste sterfte vindt zij onder Antilliaanse mannen, Surinaamse mannen en vrouwen, en mensen met een laag inkomen. Mensen uit hogere inkomensgroepen hebben juist duidelijk minder kans op overlijden door hart- en vaatziekten.

Daarnaast onderzoekt zij of de huidige risicomodellen — die bepalen wie medicatie zou moeten krijgen — wel goed werken voor alle groepen. Zij concludeert dat deze modellen het risico voor mensen met een Surinaamse achtergrond en voor mensen met een laag inkomen flink onderschatten. Volgens Janet zouden veel van deze mensen eigenlijk vijf tot tien jaar eerder in aanmerking moeten komen voor behandeling.

Tot slot laat zij zien dat de verschillen in gezondheid niet verdwijnen nadat iemand een hart- of vaatziekte krijgt: ook daarna blijven mensen uit kwetsbare groepen een hogere sterfte houden.

Janet concludeert dat het Nederlandse zorgsysteem moet verschuiven van “gelijke zorg voor iedereen” naar “meer zorg voor wie meer risico loopt”. Alleen zo kunnen gezondheidsverschillen echt worden verkleind.

Op 14 oktober 2025 heeft Janet met succes haar proefschrift verdedigd en de doctorstitel behaald.

Evelien Dubbeldeman – “Navigating the complexity: unraveling the implementation of youth care guidelines”

Publicatiedatum: oktober 2025

Jeugdzorgrichtlijnen zijn cruciaal om het welzijn van kinderen en gezinnen te beschermen en ernstige gevolgen zoals psychische en sociale problemen te voorkomen. Het implementeren van richtlijnen over gevoelige onderwerpen, zoals kindermishandeling en huiselijk geweld, is complex door de kwetsbaarheid van gezinnen en organisatorische uitdagingen. In haar proefschrift bewijst Evelien dat een beter begrip van de samenhang tussen determinanten, gedragsveranderingstechnieken en strategieën kan leiden tot effectievere en op maat gemaakte implementatie.

Evelien concludeert dat de implementatie van richtlijnen wordt beïnvloed door factoren zoals kennis van richtlijnen, communicatieve vaardigheden, zelfeffectiviteit, tijdsdruk en beschikbaarheid van middelen. Ook managementbetrokkenheid, verplichte scholing en implementatieleiders spelen een belangrijke rol. In haar proefschrift bewijst Evelien dat deze determinanten elkaar beïnvloeden en dat zorgprofessionals in vijf subgroepen kunnen worden ingedeeld op basis van hun unieke combinatie van determinanten.

Verder concludeert Evelien dat gedragsveranderingstechnieken alleen effectief zijn als de onderliggende mechanismen, zoals kennis, overtuigingen en sociale invloed, goed worden begrepen. In haar proefschrift bewijst Evelien dat inzicht in deze mechanismen helpt om strategieën te verfijnen en de kloof tussen toegepaste technieken en daadwerkelijke gedragsverandering te overbruggen. Dit leidt tot betere implementatie en uiteindelijk tot verbeterde uitkomsten voor kinderen en gezinnen.

Op 15 oktober 2025 heeft Evelien met succes haar proefschrift verdedigd en de doctorstitel behaald.

Annefrans van Ede – “The implementation of Population Health Management: bridging science and practice”

Publicatiedatum: januari 2025

Annefrans gaat in haar proefschrift in op de implementatie van populatiegerichte zorg. Het toegankelijk en betaalbaar houden van de zorg is onmisbaar om onze zorg toekomstbestendig te maken, Population Health
Management is daarbij van belang. De praktijkgerichte tool genaamd de Population Health Management Maturity Index kan de praktijk ondersteunen in de implementatie van PHM en kan ingezet worden als wetenschappelijke
tool om kennis te verzamelen. Annefrans wijst met haar proefschrift uit dat er een basis te vinden is in de literatuur die bevestigt dat deze implementatie kan werken. Met input van experts uit het veld is de tool verder aangescherpt. Een belangrijke conclusie is dat het aanpassingsvermogen en begrip van veranderende omstandigheden en organisaties belangrijker zijn dan het volgen van een standaard vooraf uitgewerkte planning.

Martijn Sijbom – “Improving antimicrobial prescription in primary care: a multi-dimensional approach to antimicrobial resistance”

Publicatiedatum: oktober 2024

Martijn heeft onderzocht en aangetoond dat huisartsen veel meer bijdragen aan antibioticaresistentie dan eerder werd gedacht. Dit komt vooral door onzekerheid bij het stellen van een diagnose, de grootte van de praktijk, het
gebrek aan tijd om goed met patiënten te overleggen en de verwachting van patiënten om antibiotica te krijgen.

Om dit probleem aan te pakken, stelt Martijn drie oplossingen voor:

  1. Huisartsen zouden bij luchtweginfecties vaker een smalspectrum
    antibioticum moeten voorschrijven in plaats van een breedspectrum, omdat
    dit minder bijdraagt aan resistentie.
  2. De registratie van antibioticaallergieën
    moet beter worden, zodat huisartsen bewuster en nauwkeuriger
    voorschrijven
  3. Het gebruik van big data uit de routine zorg kan helpen
    om patronen in het voorschrijfgedrag te analyseren en zo misbruik van
    antibiotica te verminderen.

Michelle Brust – “Embracing a new beginning: Understanding the teachable window for lifestyle change”

Publicatiedatum: september 2024

Michelle heeft samen met Haga, HMC en FSW onderzocht op welke manier een bepalende gebeurtenis in het leven van iemand kan helpen om ontvankelijker te zijn voor leefstijladvies. Teachable moments kunnen plaatsvinden na een ziekenhuisopname, na een acute gezondheidsgebeurtenis, zwangerschap of de diagnose van een chronische ziekte bij iemand zelf of een dierbare. Het onderzoeken van zowel het potentieel als de onderliggende mechanismen van levensgebeurtenissen van teachable moments is wat in dit proefschrift is gebeurd. Continue leefstijlondersteuning bieden tijdens en na levensveranderende gebeurtenissen moet als kans benut worden stelt Michelle, maar adviezen moeten wel haalbaar en empatisch zijn en afgestemd op de behoeften, context en waarden van de patient.

Joyce Molenaar – “A solid start for the Dutch first thousand days-approach

Publicatiedatum: september 2024

Joyce heeft onderzoek gedaan naar het actieprogramma Kansrijke Start, dat is opgezet door het RIVM om ervoor te zorgen dat ieder kind een goede start krijgt in de eerste duizend dagen van het leven. Haar onderzoek vormt de wetenschappelijke basis voor de manier waarop dit programma wordt gevolgd en beoordeeld.

Ze keek vooral naar hoe Kansrijke Start wordt uitgevoerd en hoe verschillende organisaties daarbij samenwerken. Uit haar onderzoek blijkt dat er belangrijke lessen te leren zijn. Zo is het belangrijk om een duidelijke, gezamenlijke boodschap te hebben en mensen te vinden die zich sterk maken voor het programma. Ook moet de landelijke overheid het programma ondersteunen, maar met een sterke focus op de lokale aanpak. Daarnaast is het bijhouden van gegevens uit verschillende domeinen (zowel medisch als sociaal) over een langere periode nodig om te zien of het
programma werkt.

Tot slot is het belangrijk dat er ruimte is om van ervaringen te leren en verbeteringen door te voeren tijdens de uitvoering van het programma.

 

Thom Bongaerts – “Screening the city”

Publicatiedatum: juni 2024

Thom heeft in zijn proefschrift onderzocht hoe bevolkingsonderzoeken naar kanker in Nederland beter kunnen worden. Hij keek specifiek naar de onderzoeken voor baarmoederhalskanker, borstkanker en darmkanker. Het succes van deze onderzoeken hangt af van hoeveel mensen die worden uitgenodigd, ook echt meedoen. Hoewel de cijfers nog redelijk goed zijn, doen steeds minder mensen mee en zijn er grote verschillen per regio.

Thom heeft onderzocht welke factoren een rol spelen bij de keuze om wel of niet mee te doen. Ook heeft hij gekeken naar de redenen waarom mensen besluiten deel te nemen of juist niet. Uit zijn onderzoek blijkt dat huisartsen en andere zorgverleners een belangrijke rol kunnen spelen bij die beslissing. Het is namelijk niet alleen een rationele keuze, maar wordt ook beïnvloed door andere persoonlijke en sociale factoren. Door hiermee rekening te houden,
kan voorlichting en organisatie rondom bevolkingsonderzoeken meer passend worden gemaakt.

Shelley-Ann Girwar – “Risk stratification in Dutch primary care: a promising approach to manage population health” 

Publicatiedatum: juni 2023

In haar proefschrift heeft Shelley-Ann onderzocht hoe risicostratificatie — het toewijzen van risicoscores aan patiënten op basis van hun profiel — gebruikt kan worden om zorg in Nederland persoonlijker en doelgerichter te maken. In andere landen wordt deze methode al succesvol toegepast om specifieke patiëntgroepen te selecteren voor passende interventies en om dure zorgvormen, zoals spoedzorg en ziekenhuisopnames, te verminderen.

Shelley-Ann laat zien dat in Nederland risicostratificatie nog nauwelijks wordt ingezet in de eerstelijnszorg, ondanks het brede bereik en de centrale rol van de huisarts. Daarom heeft ze onderzocht welk risicostratificatiemodel geschikt zou zijn voor Nederlandse huisartsenpraktijken.

In haar studie testte ze twee Amerikaanse modellen: één gericht op ziekenhuisopnames en één op hoge zorgkosten. Beide modellen presteerden goed op het gebied van onderscheidend vermogen en betrouwbaarheid. Shelley-Ann paste de modellen aan voor de Nederlandse situatie, waarbij ze de onderliggende voorspellers herkalibreerde. Dit verbeterde de prestaties van beide modellen binnen de Nederlandse zorgcontext.

Met haar proefschrift levert Shelley-Ann waardevolle inzichten en een belangrijke stap richting risicogestuurde eerstelijnszorg in Nederland.

Naomi Minderhout – “A novel approach towards acute care integration”

Publicatiedatum: november 2022

In haar proefschrift heeft Naomi onderzocht hoe de acute zorg in Nederland beter georganiseerd en geïntegreerd kan worden. Acute zorg, zoals spoedeisende hulp, huisartsenposten, ambulancediensten, geestelijke gezondheidszorg en thuis- en ouderenzorg, staat onder zware druk. Deze druk wordt veroorzaakt door vergrijzing, personeelstekorten en het feit dat ook mensen met minder urgente klachten regelmatig gebruikmaken van deze zorg.

Naomi laat zien dat de acute zorg momenteel versnipperd is door de grote hoeveelheid betrokken organisaties. Er is te weinig onderlinge samenwerking en afstemming, wat ten koste gaat van zowel de toegankelijkheid als de kwaliteit van zorg.

In haar proefschrift pleit Naomi voor een beter geïntegreerde aanpak met als doel: de juiste zorg op de juiste plek, voor iedereen — nu én in de toekomst. Daarmee levert haar onderzoek waardevolle inzichten voor beleidsmakers, zorgprofessionals en organisaties die betrokken zijn bij het verbeteren van de acute zorg in Nederland.

Laura van der Velde – “Food insecurity, dietary quality and health in the Netherlands”

Publicatiedatum: maart 2022

In haar proefschrift heeft Laura onderzocht hoe vaak voedselonzekerheid voorkomt in Nederland en wat de gevolgen zijn voor voeding en gezondheid. Voedselonzekerheid betekent dat mensen niet altijd voldoende of gezond eten kunnen verkrijgen, bijvoorbeeld door financiële beperkingen. Laura toont aan dat een aanzienlijk aantal mensen in Nederland hiermee te maken heeft, en dat dit duidelijke negatieve gevolgen heeft.

Uit haar onderzoek blijkt dat voedselonzekerheid samenhangt met overgewicht, een verminderde lichamelijke en mentale gezondheid, en een lagere kwaliteit van het eetpatroon. In het proefschrift van Laura worden ook de achterliggende factoren besproken die deze verbanden kunnen verklaren, zoals demografische en leefstijlkenmerken, psychosociale omstandigheden en de rol van de voedselomgeving waarin mensen leven.

Daarnaast heeft Laura verdiepend onderzoek gedaan naar de beleving van gezonde voeding onder mensen die risico lopen op voedselonzekerheid. Ze beschrijft in haar proefschrift welke behoeften, opvattingen en barrières deze mensen ervaren bij het streven naar een gezonder eetpatroon. Dit biedt aanknopingspunten voor mogelijke interventies die beter aansluiten bij de belevingswereld van deze groepen.

Laura concludeert dat voedselonzekerheid in Nederland serieuzer genomen moet worden. In haar proefschrift doet zij aanbevelingen voor brede en gerichte interventies op populatie- en risicogroepniveau. Ook benadrukt ze het belang van passende screeningsmethoden en maatgerichte ondersteuning om voedselonzekerheid beter te signaleren en te bestrijden.

Sytske van Bruggen – “From protocol to personalised care”

Publicatiedatum: september 2021

In haar proefschrift heeft Sytske onderzocht hoe de zorg voor mensen met diabetes type 2 verbeterd kan worden in Nederland. Sinds 2007 bestaat hiervoor het zorggroepenmodel, waarbij huisartsen samenwerken en patiënten volgens een vast behandelprotocol volgen. Sytske heeft geëvalueerd of deze aanpak daadwerkelijk leidt tot betere gezondheidsresultaten, én wat er nodig is om zorg beter af te stemmen op de individuele patiënt.

Uit haar onderzoek blijkt dat het protocol duidelijke voordelen biedt: patiënten worden vaker gecontroleerd, en hun bloedsuikerwaarden (HbA1c) zijn gemiddeld lager, vooral bij mensen uit kwetsbare groepen. Daarnaast laat Sytske zien dat nieuwe huisartsenpraktijken binnen een jaar hetzelfde niveau behalen als ervaren praktijken, wat wijst op een leerproces binnen zorggroepen.

In haar proefschrift beschrijft Sytske ook de waarde van het loslaten van het protocol. Dit biedt ruimte voor maatwerk en het stimuleren van zelfzorg bij patiënten. Wel onderstreept ze dat succesvolle invoering van zelfmanagement aan drie belangrijke voorwaarden moet voldoen. Als deze ontbreken, dalen de patiënttevredenheid en de kwaliteit van monitoring.

Sytske sluit haar proefschrift af met concrete aanbevelingen voor de huisartsenpraktijk, gericht op het verbeteren en persoonlijker maken van diabeteszorg.