Het Bloesem Project doet participatief actieonderzoek in de Leidse wijk Stevenshof naar de stapeling van sociale- en gezondheidsproblemen bij gezinnen. De basis van het onderzoek is samenwerking met gezinnen. Zij zijn immers degenen om wie het gaat en deskundig over hun eigen leven. Het lukte echter onvoldoende om gezinnen te betrekken bij het onderzoek. Dit stelde de onderzoekers voor een dilemma. 'Hoe kunnen we onderzoek doen als samenwerking met de belangrijkste partner ontbreekt?'.
In de Stevenshof wordt al langere tijd gewerkt aan een gezonde en sociale wijkaanpak. Zo werd tussen 2018 en 2021 het programma Stevenshof Vitaal succesvol uitgevoerd. Aanleiding was dat bewoners van deze wijk gemiddeld eerder te maken hebben met hart- en vaatziektes en diabetes en zich vaker eenzaam voelen. Met name voor het toenemend aantal ouderen in de wijk was veel aandacht tijdens dit programma. Om de continuïteit van Stevenshof Vitaal te ondersteunen is het Bloesemproject juist in de Stevenshof gestart.
In de eerste gesprekken met bewoners, professionals en beleidsmakers kwam naar voren dat er zorgen waren over bepaalde groepen ouders en kinderen in de wijk. Er was relatief veel jeugdoverlast en veel kinderen waren bekend bij jeugdzorg. Hulpverleners gaven het signaal dat ouders niet snel om hulp vroegen en mistten een preventieve ingang. Hierdoor ontstond het idee om het Bloesem-Project te richten op gezinnen in de wijk.
Na een periode van data verzamelen, interviews en participatieve observatie om meer te begrijpen wat er speelt bij de gezinnen in de Stevenshof, was de volgende stap om samen met inwoners en professionals deze onderzoeksgegevens te analyseren en samen na te denken over oplossingen. Het lukt alleen niet goed om in contact te komen met gezinnen in de wijk en we kregen daardoor weinig zicht op hun behoeftes en zorgen. Dit speelde ook al tijdens Stevenshof Vitaal en blijkt moeilijk te doorbreken, aldus diverse professionals uit de wijk.
Dilemma
In het Bloesemproject staat een participatieve aanpak centraal. Dit betekent dat de betrokken gezinnen een onmisbare rol hebben. Wie anders dan degenen om wie het
gaat, kunnen beoordelen wat er speelt en wat nodig is? Dit stelde de onderzoekers voor een dilemma. Kunnen we wel verder als het niet lukt om gezinnen actief te betrekken bij het onderzoek? Dit dilemma werd het uitgangspunt voor het vervolg van het onderzoek. Waarom lukt het niet om gezinnen te bereiken? Wat maakt dat er zoveel afstand is? Afgelopen half jaar vroegen we dit aan professionals en inwoners.
Je moet er hard voor werken, maar dan zit je er ook helemaal in
Diverse professionals vertelden ons dat het lastig is om echt in contact te komen met gezinnen in de wijk. Ouders zijn druk en werken allebei. Ze hangen hun ‘vuile was niet snel buiten’ en gedragen zich alsof alles goed gaat. Wat opvalt is dat veel ouders pas in beeld komen als de situatie thuis of op school escaleert. Tevens hebben ze moeite met het aanvaarden van hulp en ondersteuning en lijken bang voor Veilig Thuis en jeugdzorg.
Het vraagt extra inzet en begeleiding om hen hierin te ondersteunen. Dit vertellen zowel de scholen, de huisartsen als de jeugdzorg. De ouders over wie ze spreken zijn ‘de oorspronkelijke bewoners’ van de wijk. Dit zijn eerste bewoners die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in de wijk zijn komen wonen. Deze groep telt inmiddels drie generaties. ‘Het zijn trotse, hardwerkende, praktisch opgeleide, witte Leidenaren, met het hart op de tong, die elkaar kennen en graag met elkaar omgaan’, typeert een brugfunctionaris hen. ‘Je moet er hard voor werken om hun vertrouwen te winnen. Maar als het lukt, zit je er ook helemaal in’, aldus een basisschoollerares die al 12 jaar in de wijk werkt.
We probeerden de afgelopen maanden om in contact te komen met ouders. We spraken hen tijdens koffie-ochtenden op twee basisscholen en bij de Speeltuinvereniging, die al meer dan dertig jaar gerund wordt door actieve vrijwilligers uit de wijk en waar veel gezinnen elkaar ontmoeten. We merkten dat ouders wel openstaan voor een gesprek als je hen opzoekt op plekken waar ze met hun kinderen komen. Daar vertelden ouders redelijk openhartig over hoe het is om hun kind(eren) op te voeden in de wijk. Diverse ouders vertelden ons dat de Stevenshof echt een ‘dorp in de stad’ is, waar kinderen nog buiten kunnen spelen en familie en vrienden om de hoek wonen. Ze deelden ook zorgen, bijvoorbeeld over ruzies op straat, kinderen die geen respect meer hebben voor volwassenen en wat erbij komt kijken als je kind ADHD heeft. Diverse ouders die niet opgegroeid zijn in de wijk gaven aan contact met andere ouders uit de buurt te missen. ‘Het is hier een kliek, je komt er niet makkelijk tussen’.
Bijna iedereen die we aanspraken, wilde met ons praten en daarmee lijkt deze werkwijze een goede eerste stap om contact te leggen met ouders uit de wijk. Maar er is meer nodig om de juiste ouders te bereiken en een vertrouwensrelatie met hen op te bouwen. Van de ruim 30 ouders die we spraken, waren er maar 7 oorspronkelijke bewoners. Terwijl zij de grootste groep vormen in de wijk en professionals aangeven dat het contact met hen juist moeilijk is.
Voorfase
Met terugwerkende kracht hadden we de onderzoeksopzet anders moeten inrichten en eerst aan relaties met bewoners moeten werken. Het was bekend dat het lastig was om in contact te komen met ouders in de wijk. Waar in andere onderzoeken het contact via sleutelfiguren en professionals gelegd kan worden, lukte dat hier niet. De drempel tussen professionals en bewoners was te hoog. Het vraagt om een andere insteek, waarbij de onderzoeker ‘eigenlijk geen onderzoeker is’ maar de tijd neemt om in contact te komen met gezinnen en relaties opbouwt. Een voorfase, waarin je nog geen data verzamelt en vooral aanwezig bent in de wijk op plekken waar ouders zijn, vertrouwensrelaties opbouwt en samen relevante thema’s verkend. Bijvoorbeeld in de Speeltuinvereniging of op de basisschool.
Geen quick fix
Het vraagt specifieke vaardigheden van onderzoekers om contact te leggen en relaties op te bouwen met mensen die – vanwege diverse redenen – minder open staan voor contact. Ik ben van oorsprong sociaal werker en bekend met de methode outreachend werken (Movisie, 2017). Deze methode kan helpen om in contact te komen met mensen die niet om hulp vragen, zorg mijdend zijn of teleurgesteld in instanties. De werkwijze bestaat uit ‘erop afgaan, spontaan contact leggen, echt luisteren en present zijn’. Elementen uit deze methode hebben we het afgelopen half jaar toegepast om in contact te komen met ouders in de wijk.
In de Stevenshof zou een outreachende werkwijze positief kunnen bijdragen, maar het is geen quick fix om gezinnen bij het onderzoek te betrekken. Het vraagt om tijd, betrokkenheid en een soort ‘vrije rol’ voor de onderzoeker, waarbij de focus niet op de inhoud van het onderzoek ligt, maar op het opbouwen van gelijkwaardige relaties met bewoners in de wijk. Op die manier zou je randvoorwaarden voor participatief onderzoek kunnen creëren en aansluiting vinden bij wat er leeft onder ouders.
Belangrijk uitgangspunt is dat je vooraf wel richting kunt bepalen in je onderzoek – onder meer op basis van de zorgen en signalen van partners en gemeente – maar het uiteindelijke onderwerp wordt pas duidelijk gedurende het proces. Dit is een heel open en gelijkwaardige aanpak, waarin je samen met gezinnen en belangrijke sleutelfiguren met elkaar langzaam richting bepaalt en de onderzoeksvragen formuleert.
Vervolg
Inmiddels is de looptijd van het onderzoek voor driekwart voorbij. Samen met een kleine kerngroep van wijkprofessionals (wijkwerker, twee burgfunctionarissen, wijkregisseur en jongerenwerker) hebben we het afgelopen half jaar een Theory of Change (ToC)1 ontwikkeld. Dit is een methode om gezamenlijk aan verandering te werken. Een ToC beschrijft de gewenste verandering en de visie en acties om dit te bereiken. We realiseren ons dat de ToC alleen vanuit ons perspectief tot stand is gekomen en het perspectief van ouders mist. Het middellange termijndoel sluit hierbij aan en is dat organisaties in de wijk zicht hebben op de behoeftes van gezinnen en hun aanbod aansluiten op de leefwereld van ouders en jeugd. Om dit te bereiken doen we komend jaar twee experimenten waarin contact en samenwerken met gezinnen en sleutelfiguren centraal staan. In samenwerking ontwikkelen diverse partners een ouderkindcafé en een sleutelfigurennetwerk.
Het was geen gemakkelijk proces, maar het helpt om met en van elkaar te leren en vanuit verschillende perspectieven te reflecteren op wat er gebeurt. Door onze analyses en veranderdoelen vervolgens te delen en te bespreken met andere stakeholders uit de wijk – waaronder ook een aantal wijkbewoners en belangrijke sleutelfiguren – groeit de groep die zich betrokken voelt bij het onderzoek en het veranderproces in de wijk. Zij herkennen onze analyse en onderschrijven de urgentie om (samen) te werken aan relaties met ouders en willen hier actief aan meewerken. Er is nog veel te doen, maar er ontstaat steeds meer een gezamenlijke opgave en een gezamenlijke aanpak.